Verspreekwoorden en Wat Zeg Je

Op een dag als deze maak ik het mij met een feestelijk en tevens liefdevol gebaar enigszins makkelijk – verse spraakmakers!


Ik denk dat ze uit hetzelfde laatje tappen.

Dat doet je de nek om.

Het leed is al geschied.

Zo dom als een paard.

Zo blind als een achtereind van een varken.

Dat wordt gedaan om anderen in een zwart daglicht te zetten.

Nu worden de bakens weer veranderd.

Ik wil niet helemaal uit de bocht schieten.

Hij is flink over de streep gegaan.

Het vuiltje is uit de lucht.

Daar kan je me echt mee tegen het plafond krijgen.

Hij is flink uit zijn kluiten gegroeid.

Jij moet eens op je passen tellen!

Soms moet je dingen uit je handen loslaten.

We gaan niet in de wolken lopen.

Het is niet de bedoeling dat het kaartenhuis instort.

Ik heb de pijlers op haar gezet.

Ik ben op twee benen.

Het past dichter bij zijn hart.

Het water kruipt me om de mond.

Je lult dat je barst.

Het moet wel duidelijk recht staan.

We komen uit hetzelfde schuitje.

Het is door de kaart gestoken.

Het bloed kruipt toch altijd weer omhoog.

Ik ging bijna van mijn appeltje van de honger.

Je moet het niet zo zwart op wit zetten.

Ik mocht mezelf in de vingers knijpen van geluk.

Die spreekt ook alleen maar bloemkolen-Engels.

Je moet wel even aan de noodbel rinkelen.

Ze was nogal langdradig van stof.

Er worden geen conclusies verbonden.

Mijn hart gaat helemaal op en neer.

Dan verkoop je de beer voordat de huid eraf is.

Je moet niet over de doden regeren.

Ze heeft zich weer wat in haar hals gehaald.

Hij loopt weer als een kikker.

Maak dan je broek maar nat.

Dat kwam goed in ons straatje naar voren.

Ik laat me niet in de grap nemen.

Het geeft een indicatie aan.

Hij verzon alles uit zijn duim.

Aan een dood paard moet je niet trekken.

Het is misschien wel een blessing in the sky.

Hoop doet vrezen.

Dan kom je toch van een koude kerk thuis.

Ik hink op twee poten.

Je moet niet zo snel aan je conclusies trekken.

Ze doen alsof ze boter op hun neus hebben.

Het begint nu zijn vruchten af te breken.

Het is met een harde hand afgewezen.

Ik kon er niet heel veel touwen aan vastmaken.

Ach, niet alles is rozenschijn en manenzon.

Dat is hout op het vuur gooien.

Je scheert het onder één kam.

Daar moet je wel mee uit de voeten komen.

Je wil iemand ook niet tegen het verkeerde been schoppen.

Ik loop op mijn tong.

Ik kan er mijn natte vinger niet op leggen.

Hij doet roet in het spel brengen.

We hebben er geen windeieren van gegeten.

We slaan ons er met de riemen die we hebben wel doorheen!

Alles is in pannen en kruiken.

Dat kun je hem mooi voor zijn kiezen gooien!

Die schijt zeven peentjes!

Ik wil mijn kans slaan.

En toen pas viel de klik.

Ik werk me uit m’n sloffen!

Ach, ik zie wel waar het schip eindigt.

Ik vrees met alle vrezen.

Het is koren aan de molen.

De hoge nood is nu echt aan de man.

Ik raakte gewoon van de kaart.

Dat was een piece of case.

Er zijn kosten nog middelen gespaard.

Het begint allemaal in te slinken.

Ik ben helemaal in de kluts kwijt.

Het springt me ineens te binnen.

Dan krijg je de consequenties van je keuzes op je dienblaadje.

Zo schiet je jezelf in je eigen schoenen.

Ik erger me beurs en blauw.

Er is geen sneeuw onder de zon.

De boot moeten trekken.

Ze hebben zich goed in de kijker gezet.

Ik zie het wel voorbij verschijnen.

Daar slaat het op neer.

We hebben een goede advocaat in de arm geslagen.

Het wordt venijnig in de staart.

Even zaken op orde stellen.

Ze voelt zich als een kip in het water.

Ik lig elke maand krom om alle touwtjes aan elkaar te knopen.

Ik ben wat voorbeoordeeld.

Ze checken wat instellingen aan.

Het zal helemaal niets uithelpen.

We moeten het zelfvertrouwen omhoog kweken.

De kaarten zijn nog niet verdeeld.

Het is dat of zus.

Alles begint door elkaar te smelten.

De weg wordt vrij geplaveid.

Dat moet je vooral doen als je bij hen in een goed dagblaadje wil staan.

Van alles en nog niets.

We kijken wel even hoe onze pet hangt.

Die is aardig door de wol gewassen.

Van toeters noch bellen weten.

Ik kan toch geen handen met ijzer breken?

Je moet niet zo hoog van de boom blazen!

Ik haal het even uit de natte duim.

Elk vogeltje zingt zoals het heeft leren fietsen.

Er zijn wel steken blijven liggen.

Anders zie je door het bos de bomen niet meer.

Een vinger tussen de deur krijgen.

De krenten uit de pap halen.

We hebben de nul tegengehouden.

Uit mijn slof springen.

Dat is een beetje uit de hand geschoten.

De emmer van de leiding was echt vol.

Ik wil je niet voor de wielen rijden.

Daar heb ik af en toe een handje vol van.

Dat heeft echt zoden aan de dijk opgeleverd.

Probeer je mij een luur aan te leggen?

Dat kun je op je klompen natellen.

Dat is zoeken naar een hooispeld in een berg.

Ik stond wel even met mijn ogen te klapperen.

In je portemonnee geknipt worden.

Het gaat mijn pet te boven.

Kop noch wal raken.

Dat is een last van een pak van de schouders.

Met de mantel der liefde wijzen.

Voor je eigen eieren kiezen.

Nog iets achter de deur hebben.

Opeens zit je er met huid en haar in.

Een knipoogje toeknijpen.

Ik ben door de bomen het bos kwijt.

Dat is een beetje te zwaar door de bocht.

Zonder gekheid op een stokje.

Het is er ons met de paplepel ingegooid.

Zij haalt het vuil onder mijn nagels vandaan!

Slechtschiks of kwaadschiks.

Hier kon ik echt alleen maar een paar babymuggen ziften.

Dan zakt het lood je toch in de schoenen?!

Wij putten uit heel veel vaatjes.

Daar zit een kennis van waarheid in.

Ik zat even met m’n haren in het hoofd.

Gemakzucht dient de mens.

We moeten zorgen dat het niet te gooi en te grabbel gebeurt.

Als je dat voor elkaar wil krijgen, moet je wel van hele hoge huize komen.

We hebben niet zoveel in de pap te brokkelen.

We hoeven het ei toch niet opnieuw uit te vinden?

Die heeft technisch gezien helemaal niets in te brokkelen.

Dan moet je een flinke duit in je portemonnee doen.

Het zet nogal wat voeten in de aarde.

We zijn aardig bezig de weg omhoog te krijgen.

Maar denk maar niet dat ik mij uit mijn vel laat slaan.

Daar had geen hond naar gekraaid.

Klagen van steen tot been.

Zo klaar als een huissie.

Eén vlag maakt nog geen modderschuit.

Dan help ik jullie uit de boot.

Het is niet een nieuwe opzienbaring.

We zijn weer eens blij gemaakt met een dooie mug.

Ik wil je niet in een zwart daglicht zetten, maar…

Daar durf ik mijn vingers niet voor te branden.

We gaan geen zwarte pieten toesturen.

We gaan geen zwarte pieten uitdelen.

Zien maakt honger.

Uit de kast lokken.

Punt om punt.

Jij moet effe indimmen.

Er met twee ogen intrappen.

Nu is het paard van stal!

Er is vast een gat aan te mouwen.

In de kast jagen.

Ervaringen uitdelen.

Dikke koek en ei.

Als je dan het hek van de dam haalt.

Gezien het toonbeeld.

Een spaak in het wiel steken.

Dan sla je onzin uit.

Hij kijkt het door de vingers.

Ze zien mij altijd boven het hoofd.

Ik zit in de war.

Nou vraag ik u af.

De kok horen fluiten, maar niet weten waar de ketel staat.

Waar vuur is, is rook.

Het kwaad is geschoten.

De eindjes bij elkaar knopen.

Ze vallen door het ijs.

Gisteren is de bom echt gevallen.

Hij is door de mazen van de wet gekropen.

Het is weer bagger en boos.

Je voeten in het zand steken.

Zuig je weer wat uit je mouw.

Dat komt niet van de vloer.

Vlieg- en kunstwerk.

Daar verlies je geen buil aan.

Aan de bel kloppen.

We moeten het doen met de riemen die we hebben.

Ik heb daar geen hoge hoed van op.

We hebben de moed genomen.

Van de goede zaak voor de orde.

Even tussen twee lippen door.

Nu krijg je het tussen neus en lippen mee.