Navelstaart

Een cd opzetten heeft geen zin. Het renovatiepand aan de overkant overstemt al wekenlang alles wat hem lief is.
Het is de tweede dag met de gordijnen dicht en de ogen op de muur gericht. Het staren en zuchten, kijken en kwijnen in het niets. De boodschappen sleuren hem de deur uit. Het is beter, dat weet hij ook. Beter om eruit te moeten en het ritje bevalt hem ook prima. Hij fietst om, graag zelfs. De omgeving biedt altijd weer een nieuwe kijk op de dingen. Neem bijvoorbeeld de huizenhoge boten die zomaar ineens langs de kade liggen. Ze hebben hun volgepropte toeristen uitgekotst en wachten nu indrukwekkend op de ommekeer.

Dus ja, buiten is het beter. Gordijnen zijn er niet, de sluiers van zijn troebele geest. Als hij maar eenmaal zover is, maar dat duurt altijd een mensenleven. En dat leven zit er nog niet op.
Hij kijkt van de muur naar de tafel naar zijn benen. Zijn blik volgt wat niemand ziet en hij al helemaal niet. Het gebeurt gewoon. Niets alles, sterker, niets heeft een reden.
Dan tilt hij zijn shirt op, ziet zijn navel. Die staart terug. Er is iets niet pluis.