Ja man

Iedere zaterdagmiddag zo tussen vijf uur en half zes, net voor sluitingstijd, komt ie binnen. Oordopjes in, zwierende armen met swag: knappe dude die mij wat maakt.
En zo is het, we maken ‘m niks. Hij komt netjes en ruim op tijd zijn geleende materialen weer inleveren en neemt straks voor een week aan spullen weer mee naar huis.

Altijd dezelfde routine, dezelfde route. Eerst naar de dvd’s en games, dan naar de non-fictie voor iets over Thailand of Egypte, de boekenkast van Anne Frank, het menselijk lichaam, een atlas, alles over kledingfabrieken of pandaberen. Net waar ie was gebleven met de nummering. Grote boeken, kleine boeken, dikke of dunne boeken.

Soms, als hij nog tijd over heeft, dan pakt ie er nog twee stripboeken bij. En natuurlijk de laatste Voetbal International, maar wel pas nadat ie grondig heeft gecheckt of hij echt niet toevallig een editie heeft gemist.

Sowieso wordt alles al ter plekke doorgebladerd, bestudeert en becommentarieert. En ondertussen wordt er ook nog flink kauwgum gekauwd en driftig meegeknikt met de beats op zijn headset.

Elke week groet ik hem als hij binnenkomt en wanneer hij weer weggaat met de maximaal 10 items per pas. Dat gaat ook altijd op dezelfde manier.

Bij het binnenkomen:
Hij: Hey man!
Ik: Hé jongen, alles goed?
Hij: Ja man, rustig.
Ik: Mooi zo.

En bij het weggaan:
Hij: Oi hè?
Ik: Hé jongen, tot ziens, fijn weekend!
Hij: Ja man.

Toch ging het gisteren anders.
Hij was al binnen. Ik zag hem staan en liep naar hem toe. Hij zag mij pas toen ik een joviaal armgebaar maakte om zijn aandacht te trekken. Hij keek op en interpreteerde mijn uitgestoken arm als een poging tot high-five, maar besefte met zijn hand half in de lucht dat ik dat niet zo had bedoeld. Ik wilde gewoon zijn aandacht trekken om hem te kunnen groeten.
De minuten daarna stond hij mompelend bij de OBA 100 jaar-tafel en liep ik met een kegel van een schuldgevoel de teruggebrachte boeken op te ruimen. Allebei hadden we last van deze door mij veroorzaakte sociale onhandigheid, da’s lekker dan. Maanden van vanzelfsprekendheid naar de filistijnen. Gotsamme. En nu?

Bij het weggaan leek alles weer vertrouwd: Oi hè? Hé jongen, tot ziens en een fijn weekend! Ja man.
Toch, pas volgende week kan ik checken of alles echt weer oké is.
Het wordt een lange week. En dan maar hopen dat ik mijn sociale spasme onder controle weet te houden.