Op de koffie

Het piept en het kraakt. De trein is kort en vol. Maar met twee jassen, handschoenen zonder vingers en een PLO-sjaal is het goed uit te houden op het balkon, u weet wel: dat stuk niemandsland tussen de coupés en de buitendeuren. Zo blijf je fris en fruitig. En snotneuzerig.

Met een week die bol staat van druk-druk-druk raas ik ook vier keer, twee keer heen en twee keer terug, langs de flat van mijn ouders. In gedachten zwaai ik eventjes naar ze en ik SMS dat ik echt volgende week weer ergens even op de koffie kom. Ik probeer dat normaal gemiddeld eens in de twee weken te doen, maar soms, zoals nu, lukt dat niet. Geen ramp. En toch voelt het wel een heel klein beetje zo wanneer mijn goede vriend Abdelmoghite in de bieb op IJburg me diep in de ogen kijkt en me vriendelijk doch dringend vertelt dat het echt wel moet, op bezoek gaan. Het zijn je ouders, je moet respect hebben en op bezoek gaan, altijd. Ik knik. Hij kan het weten, hij ziet zijn ouders bijna nooit meer. Zij bleven in Marokko, hij ging weg op zoek naar een beter leven. En dat viel allesbehalve mee. Nederland is moeilijk voor hem. Hij doet zijn best, meer dan dat zelfs. En dat kan ik dan weer weten, want ik begeleidde hem een poosje en zag hem tobben.

Ik kijk hem aan, leg een hand op zijn schouder en met mijn andere hand pak ik die van hem. Hij mist zijn ouders. Hij mist zijn familie. Hij mist zoveel daar. Maar teruggaan is geen optie.