Dadels van Icarus

Zo vreemd vond ik ‘m niet, die vogel, maar anderen dachten daar anders over. Hij zou te hoog vliegen, zeiden ze. Hij zou zich branden aan de zon en te pletter storten, zeiden ze ook. Ze keken er serieus bij. En samenzweerderig.
Ik wilde die rare snuiter in bescherming nemen, nam het voor hem op. Maar dat pikten ze niet. Hun reusachtige monden sperden zich open om mijn huid vol te schelden. Ze zouden mij met woorden brandmerken, stenigen.
Ik raakte in paniek. Sloeg op de vlucht. Geen tijd om mijn schamele bezittingen bij elkaar te zoeken en mee te nemen. Ik liet alles achter met voor mij de grot waarin ik, dat wist ik zeker, zou verdwalen. Alleen mijn steeds zwakker wordende schaduw zou me nog heel even vergezellen. Maar dan, daarna, zou ik echt helemaal alleen zijn. Niemand zou zich mij nog herinneren. En uiteindelijk zou ik ook zelf niet meer weten wie ik was. Een wreed lot zonder ooit mee te hebben gedaan aan een loterij. Typisch iets voor mij.